| woensdag 22 juni 2011 | |
| Lees verder. |
donderdag 23 juni 2011
nieuws: Vrijmetselarijloge schenkt bedrag bibliotheekboeken
woensdag 15 juni 2011
POSTMODERNE SPIRITUALITEIT
vrijmetselarij Den Haag
Auteur: Piet Romeijn, juli 2006
Dit artikel geeft een schets van de spiritualiteit in de laatste halve eeuw en probeert iets vooruit te kijken. Waarom? Als denkstof voor de vraag of we in ons eigen leven, en dus ook in de vrijmetselarij, nog 'bij de tijd zijn'. Ik geloof dat ik niet hoef te onderbouwen dat de samenleving flink is veranderd. De postmoderne filosofie is daar een afspiegeling van; nagenoeg alles wordt ter discussie gesteld. Ik gebruik de term 'postmodern' voor de laatste halve eeuw; de paar eeuwen daarvóór worden in de filosofie meestal 'modern' genoemd.
Wat is spiritualiteit?
Definities van het begrip spiritualiteit zijn talrijk, vaak verschillend en soms controversieel. In dit verhaal betekent het:
de bron van alle stromingen en bewegingen waarin mensen zoeken naar zingeving, naar moraliteit of naar antwoorden op levensvragen.
Dat is een hele ruime definitie. Ik zie spiritualiteit dus als een bron. Waaruit vele stromingen ontspringen. Denk b.v. aan een rijtje als religie, godsdienst, geloof, levensbeschouwing, esoterie, mystiek, ideologie, cultus en magie. Vele daarvan claimen patent op hun waarheid, en verguizen andere stromingen. Een vrijmetselaar doet dit niet, zelfs niet als hij van bepaalde stromingen een afkeer heeft. Vrijmetselarij is een vorm van spiritualiteit, maar de islam, Jehova's getuigen, New Age en de Winti van de Surinamers ook. De tijd dat een hele samenleving dezelfde vorm van spiritualiteit moest hebben is gelukkig voorbij, en dat is in mijn ogen een kostbare verworvenheid. Evenals de vrijheid die ieder heeft om de bron in zichzelf of buiten zichzelf te zoeken.
Spiritualiteit is in mijn ogen een persoonlijke zaak. Zodra er iets van organisatie of collectiviteit aan te pas komt, ontstaat de (zo menselijke) neiging om meer nadruk te leggen op wat onderscheidt dan op wat vereent. En het gevaar van dogmatiek en fundamentalisme.
Spiritualiteit is net zo oud als de mensheid zelf. De antropoloog Joseph Campbell beschrijft de 'hang naar het hogere' als een natuurlijke eigenschap van de menselijke soort, biologisch gefundeerd. Alleen de vormen verschillen naar tijd, plaats en cultuur. Ze variëren van mythologie, magie en sjamanisme, via godsdiensten en filosofieën tot wat New Age aan spiritualiteit bevat. De diepe drijfveer blijft gelijk. Dat de kerken in Nederland leeglopen komt omdat ze niet meer de vormen aanbieden die de mensen aanspreken, en omdat de individualist geworden gelovigen in het westen de dwang van de kerk niet meer accepteren.
Spiritualiteit wordt op vele manieren beschreven. Ik geef twee voorbeelden:
In een lezing voor de Weefsters (de vrouwelijke pendant van de vrijmetselarij) noemt Jacob Slavenburg Gnosis, Mystiek en Spiritualiteit in één adem. Hij noemt het Latijnse 'Spiritus' o.a. het eeuwig zijnde, maar dan niet statisch maar dynamisch, vergelijkt het met het uiterste godsbegrip Brahman bij de Hindoes, en dan niet alleen 'zijn', maar ook beweging. Je daarmee één voelen noemt hij de Unio Mystica, en dat is dan een uiting van spiritualiteit. Prachtig gezegd.
Als contrast citeer ik een paar fragmenten uit een artikel over Spiritualiteit van een zekere Luc Sala, dat ik een paar jaar geleden op het Internet vond op het zoekwoord 'spiritualiteit'. Ik kreeg ongelooflijk veel informatie op mijn beeldscherm, maar ik koos voor Sala terwille van het contrast. Ik citeer:
Spiritualiteit zien we, in tegenstelling tot religie, als een heel persoonlijke zaak. Het gaat om onze relatie tot wat we misschien God noemen, of de 'ultieme realiteit', het universum' of gewoon 'de natuur'. Misschien gebaseerd op wat we ooit ervaren hebben, misschien natuurlijk gegroeid uit een traditie, in ieder geval niet iets waar we heel makkelijk over praten. Het is meer een kwestie van voelen.(....) Het gaat allemaal om de relatie tussen wat je zelf denkt, voelt en ervaart en wat er buiten jezelf in de wereld gebeurt. Dat is het terrein van spiritualiteit, religie, godsdienst, magie of mystiek.(....) Spiritualiteit kom je overal tegen, al is het soms wat weggestopt. Maar wat gebeurt er nu allemaal op dat gebied? De ontkerkelijking gaat verder, klaagt men uit traditionele hoek, terwijl de New Age beweging aantrekt. De 'officiële' medici willen niets weten van psychoactieve frequenties, smart drugs en breinmachines, maar vanuit de 'scene' van de New Edge komen die dingen toch op de markt en gebruikers rapporteren dat ze niet alleen werken, maar hen bovendien tot diepere inzichten brengen. Hasj is verboden, drank mag en drugs zijn een sociaal probleem, maar steeds meer boeken gaan over de rol van dit soort middelen in spirituele tradities. Naast de nette' religies en stromingen is er een onderstroom, een tegenbeweging die steeds duidelijker voelbaar wordt. (einde citaat)
Ik bewonder Jacob Slavenburg als denker en als auteur, maar zijn proza kan qua begrijpelijkheid voor de gewone man niet tippen aan Sala's proza, los van de vraag wat je van de inhouden vindt. Slavenburg's tekst is mooi, maar zegt alleen iets voor reeds ingewijden. Sala's tekst is niets voor mij, maar wél voor iedere zoeker begrijpelijk, en is bovendien naar mijn smaak een geslaagde typering van postmoderne spiritualiteit. Het zijn haast twee verschillende talen. Welke moet de voorkeur krijgen als wij ons tot de hedendaagse samenleving richten?
Status quo van de spiritualiteit in Nederland:
Ik heb veel gehad aan het boek In Stukken en Brokken, een publicatie van het onvolprezen Nederlands Gesprek Centrum. Tien wetenschappers geven daarin ieder hun eigen visie over de status quo van geloof en levensbeschouwing in Nederland. Ik zal er een paar van citeren, noodgedwongen sterk verkort. U moet even onthouden dat de auteurs niet als doel hadden de hedendaagse spiritualiteit te beschrijven, maar als centrale vraagstelling hadden of geloofstradities en traditionele levensbeschouwingen wel of niet hun tijd hebben gehad in Nederland.
Dr. H.M. Kuitert stelt het volgende: De kerken schijnen hun vitaliteit te hebben verloren. Met de grote politieke ideologieën is het nog erger gesteld. In één woord: malaise. Het postmodernisme stelt dat de Verlichting het Westen de das heeft omgedaan. De beloften van een maakbare wereld zijn niet nagekomen. De gevestigde religieuze oriëntaties zijn gelogenstraft door de gang van zaken zelf.
Toch is het niet alleen afbraak. Tegenover de verliezen van 'officiële' religieuze instituties staat een hausse van religieus gekleurd engagement. Een schaduwkant daarvan is het fundamentalisme. Je vindt dat overal, zelden puur religieus, bijna altijd als vlechtwerk van etnische, nationalistische en godsdienstige factoren:
(1) het zijn heel vaak uitingen van protest of oppositie tegen nieuwe (ook niet-religieuze) verschijnselen.
(2) het is vaak hang naar zekerheid in een chaotisch wordende wereld
(3) het wordt vaak misbruikt door machtbeluste individuen.
Fundamentalisme is niet productief in culturele zin. Maar het mag toch niet worden vereenzelvigd met de extreme, half politieke vormen die we momenteel bij de islam zien, aldus Kuitert.
Het nieuwe heeft ook een lichtkant: tegenover de terugloop van de kerken in Nederland ziet hij nieuwe bloei, zelfs wildgroei van levensbeschouwingen en religiositeit. Hij constateert dat de enkeling tegenwoordig zijn eigen religieuze pakket samenstelt met ingrediënten naar eigen keuze. Men zoekt dus wel degelijk religie, maar à la carte, zonder kerkelijk patent, en in grote diversiteit, en dat is een positief effect van het verdwijnen van de machtige traditionele monopolies. Hij is niet pessimistisch over de toekomst van onze samenleving. De versnippering van godsdienst en moraal sluit volgens hem nieuwe cohesie volstrekt niet uit.
Maar het is oppassen geblazen. Als iedere enkeling zijn eigen religie zoekt, wat voor goeroes zullen zich dan aandienen? Hoe voorkomen we dat een nieuwe rattenvanger van Hameln zich opwerpt of, omgekeerd, dat we uit overdreven zorg de mensen hun eigen verantwoordelijkheid afnemen met nieuwe ideologische machtsontplooiing? Angst voor fundamentalisme kan gemakkelijk tot machtsmisbruik leiden, maar angst voor vrijheid ook.
Dr. R. Kranenburg, predikant en docent aan de VU, beschrijft zijn vele pogingen tot revitalisering van zijn gemeente. Die waren tevergeefs, maar hij telde in Amsterdam óók liefst 26 kerkgenootschappen, die allemaal min of meer als pinkstergemeenten gezien kunnen worden. Hij verwacht dat het christelijk geloof zal blijven, maar met meer gewicht op een fundamentalistische geloofshouding, en dan in de ware betekenis van dat woord.
Omdat ik van mening ben dat het in het leven niet om het rechte geloof, maar om het rechte handelen gaat, ben ik geïnteresseerd in verbanden tussen spiritualiteit en moraliteit. Dr. de Hart van het Sociaal Cultureel Planbureau had goed nieuws. Hij signaleert namelijk dat de waarden waarnaar in Nederland geleefd wordt, tussen kerkelijken en niet-kerkelijken maar weinig verschillen. De kerken hebben daar kennelijk geen patent op. En, zo merkt hij droogjes op, eigenschappen als agressie, discriminatie en egoïsme die men tegenwoordig aan de borreltafel graag aan de secularisatie toeschrijft, zijn niet pas in 20e eeuw ontstaan.
Bij de huidige generaties is de ontkerkelijking naar zijn mening niet een gevolg van kritiek of ontevredenheid over kerk of geestelijkheid, maar eerder van eigen opvattingen van geloof, waarin de kerken nauwelijks nog een rol spelen. Godsdienst heeft zijn structurerende kracht voor het maatschappelijke leven verloren, maar het is nog lang niet zeker of dat ook het geval is voor het persoonlijke leven. Ook uit de bonte verzameling New Age kan nieuwe religieuze gevoeligheid ontstaan. 'God' lijkt voor de meeste jongeren een individuele expressie van een individueel gevoel te zijn geworden. Hun religie is pragmatisch en experimenteel.. (Dus niet: ik geloof wel of niet dat hij er is, maar ik merk wel of niet dat er iets is.)
Al met al is er een religieuze zoektocht, een hang naar eenheid in een gebroken wereld, die verder gaat dan een weekendje mediteren als recreatie. Zaken als identiteitsvorming, vrije en onbelemmerde zelfontdekking staan vaak centraal bij de zoekers. (Volgens mij is dat een ingewikkelde manier om te zeggen dat het maçonnieke Ken Uzelve' vaak centraal staat, PR).
Religie, aldus nog steeds de Hart, krijgt het karakter van een spirituele spijskaart van tradities, denkbeelden, waarden, symbolen, morele regels en praktijken, waaruit ieder z'n eigen menu kiest. De aandacht verplaatst zich van wat met de mond wordt beleden naar de manier waarop geleefd wordt. Hij verwacht dat de religie van de toekomst antropocentrisch zal zijn (de mens in het centrum geplaatst). Ze zal eerder gevoed worden uit het gevoel dan uit het verstand, eerder uit eigen vermogens van de mensen zélf dan uit dogma's van derden. Spiritualiteit zal centraal staan, niet doctrinaire geloofswaarheden.
Mr. J.F. Glastra van Loon, als humanist, ziet het heil niet van boven komen, maar uit onszelf. Voorheen stelden wij vragen over ons leven en kregen we antwoorden van de religies. Nu gaan we beseffen dat op onze vragen ook eigen antwoorden mogelijk zijn. De moderne mens acht zich voor een groot deel zélf verantwoordelijk voor zijn leven, en dan niet jegens een opperwezen, maar jegens zichzelf en zijn medemensen. En hij heeft ontdekt dat hij zich ook individueel van die verantwoordelijkheid kan kwijten. (Mijn commentaar: de vrijmetselarij wist dat al veel eerder)
Glastra van Loon weer: de Verlichting was niet een uiting van ongeloof, maar van een nieuw geloof. Zin en heil zouden niet meer in het hiernamaals, maar binnen het aardse bestaan liggen. Dat rationele en optimistische mensbeeld is helaas door de praktijk achterhaald. De oude heilsverwachting (van vóór de Verlichting) was niet controleerbaar, maar de nieuwe wél. Helaas is ons geloof daarin misplaatst gebleken, want zorgen en problemen blijken onverbrekelijk met levende wezens verbonden te zijn.
In de oude religiositeit werd de moraal 'over de band' van het opperwezen gespeeld. De schaapjes ontleenden hun waarden en normen niet aan wat ze voor elkaar betekenden, maar aan het feit dat ze bij de kudde van dezelfde herder behoorden. Kuddegevoel is vervangen door individualisme, dus we voelen ons onzeker over ons gedrag jegens elkaar en over onze toekomst. Logisch gevolg van de snelle en complexe veranderingen die we beleven. In extreme gevallen kan zulke onzekerheid tot zelfmoord leiden, soms van hele cultgroepen. Wat wij nodig hebben is een voorstelling die ons eigen zoeken naar zin bevestigt, en die niet door het zoeken van anderen wordt bedreigd. We moeten gewoon aanvaarden dat onze relaties tot elkaar onze eigen zorg en onze eigen verantwoordelijkheid zijn. (Een adagium in de vrijmetselarij)
Door mij samengevat zeggen de auteurs van In Stukken en Brokken het volgende:
1. De oude, vertrouwde vorm van religie (ze bedoelen dan het christendom) zal voor vele mensen in Nederland waarde houden, maar niet opnieuw opbloeien en niet zijn oude glorieuze rol terugkrijgen. Het zal meer privé zaak blijven.
2. Nieuwe vormen van geloof zullen idealistisch en pragmatisch zijn, met meer spiritualiteit en minder doctrine. Ze zullen meer dan ooit dynamisch en veranderlijk zijn, niet gauw een 'verbond voor het leven'. Het vroegere transcendente (zoals b.v. God van de christenen) zal niet verder komen dan een imaginaire gesprekspartner, misschien een helper, maar zeker geen bestuurder of beschikker.
3. De teruggang van kerken en geloofstradities betekent niet het verlies van normen en waarden.
4. Waakzaamheid is geboden, want als de mens geen fatsoenlijke religie aangeboden krijgt, neemt hij misschien iets onfatsoenlijks met een (vermeende) zelfde functie.
5. De eindconclusie is dat wij het belang van spiritualiteit voor de samenleving onderschat hebben. Veel mensen hebben ten onrechte gedacht dat we zonder zouden kunnen.
De titel van het boek is heel juist gekozen: het aantal stromingen, cultussen, oude en nieuwe kerken, mysteriescholen, ashrams en alternatieve academies is enorm, het zijn echt stukken en brokken. Er zijn oude religies bij die terugkwamen in New Age stromingen en dus eigenlijk oude wijn in nieuwe zakken zijn. De spiritualiteit in onze tijd is voor een deel het teruggaan naar de bronnen van het geloven, en voor een deel ook de zoektocht naar nieuwe metaforen, zoals Campbell voorspelde. Ik heb wel eens de indruk dat de cultus rond voetbalhelden of popsterren daar al iets van weg heeft.
Velen geven op eigen, zeer uiteenlopende manieren inhoud aan hun spiritualiteit. Ze proberen, praktiseren, ervaren en beleven van alles. Ze vinden het moeilijk om er over te praten, ook onder elkaar. Niet uit onwil, maar uit onmacht. Ze missen de woorden en begrippen die nodig zijn om met anderen ervaringen uit te wisselen. We moeten in onze contacten met jonge leden dus op begripsproblemen rekenen. Ons jargon dus moderniseren, in ieder geval vereenvoudigen.
Wat is een goede religie?
Een van de auteurs van Stukken en brokken, Dr. H.F. de Wit, voormalig hoogleraar contemplatieve psychologie aan de VU, probeert daar antwoord op te geven. Ik geef zijn verhaal vereenvoudigd weer. Hij stelt net als Campbell dat mensen een fundamentele, vitale menselijke behoefte aan religie hebben. Hij beschrijft welke eigenschappen een religie moet hebben om in die behoefte te kunnen voorzien.
In alle religies, mythologieën en spirituele stromingen vind je verhalen over belevingen van 'mensen op hun best'. Het zijn altijd subjectieve ervaringen van één persoon. De persoon voelt zich 'op z'n best'. Niet een gevoel van topprestaties of extase, maar het gevoel dat hij het leven in voor- en tegenspoed áán kan, dat het goed is. Psychologische kenmerken daarvan zijn bijvoorbeeld: zonder vóóroordelen en objectief naar situaties kunnen kijken, ook naar zichzelf, vreugde voelen als het goed zit en moed hebben als het fout zit, vermogen tot mededogen en zorgzaamheid, handelingsbekwaamheid, enz. enz. Omdat de Wit merkte dat mensen over zulke kenmerken spreken als fundamenteel voor hun bestaan, vat hij ze samen in de term 'fundamentele menselijkheid'.
Die beleving van fundamentele menselijkheid à la de Wit hoeft helemaal niet mystiek of extatisch te zijn, het is niet een zgn. piekervaring. Het bijzondere ervan zit voornamelijk in het contrast met onze gewone geestestoestand, waarin altijd een dosis angst en vooringenomenheid meespeelt. Mensen die gewend zijn vanuit die fundamentele menselijkheid te leven (in een religieuze traditie b.v.) vinden dat gewoon, geen prestatie of triomf. De Wit voert citaten van Campbell aan, die zijn visie bevestigen. Campbell wijst er steeds weer op dat het opbloeien of verdorren van die fundamentele menselijkheid het centrale thema vormt in de mythen en sagen van de hele wereld.
De Wit's eindstelling is dat iedere religie die die fundamentele menselijkheid weet op te wekken, een goede is. En dat religies die dat niet (meer) kunnen, beter kunnen verdwijnen. Ik ben dat helemaal met de Wit eens. Bovendien stuitte ik op een treffende analogie in een college van Dr. Maex, psychiater en docent aan de Antwerpse School voor Comparatieve Filosofie, over het Boeddhisme. Hij heeft het daar over de zgn. boeddhanatuur als streefdoel van een mens, en zegt dan "Het is niet anders dan onze fundamentele menselijkheid". Naar mijn mening is die 'contemplatieve psychologie' van de Wit niet anders dan de westerse wetenschappelijke beschrijving van wat de Boeddha 2500 jaar geleden leerde.
Esoterie en vrijmetselarij
Esoterie begon met de Griekse mysteriën en leidde via gnosis, joodse mystiek en kabbala, allerlei volksmagie en hermetica, alchemie, vrijmetselarij, theosofie en antroposofie naar de moderne tijd. Het christendom gebruikte de term 'esoterie' in negatieve zin voor stromingen die het vrije denken bleven verkiezen boven dogma's. En de moderne wetenschap plakte er ook nog het etiket 'niet-wetenschappelijk' op. Die twee negatieve ladingen hebben gemaakt dat alles wat zich aandient als esoterie door veel mensen nog steeds als vreemd, afwijkend, een beetje raar wordt gezien. Maar de trend is de laatste tijd weer positiever gericht.
Wichmann zegt in zijn boek o.a. dat ongeveer 10% van alle boeken die in onze tijd verschijnen over esoterische onderwerpen gaan. Zelfs als je de flauwekul en de geldklopperij ervan aftrekt, is dat nog steeds een duidelijk signaal dat er in de esoterie sprake is van een renaissance. Ook Harmans boek over de verschuiving in het westerse denken is zo'n signaal. Harman meent dat de esoterie een brug kan slaan tussen godsdienst en wetenschap, omdat zij qua kennis nauwkeuriger wil zijn dan godsdienst, maar tevens ook dieper wil schouwen dan wetenschap. En tenslotte zegt ook Campbell in antropologische termen iets soortgelijks.
Slot
Dit is het beeld van de spiritualiteit dat wij voor ogen moeten hebben bij het nadenken over de hedendaagse samenleving. Ik besluit met een paar persoonlijke opmerkingen:
1. Op de vraag of de vrijmetselarij nog wel een plaats heeft in de veranderende samenleving is mijn antwoord in beginsel bevestigend. Ik vind dat de Nederlandse vrijmetselarij een uitdrukking van spiritualiteit is die zeker bij de 21e eeuw past. In ieder geval qua inhoud, maar ik heb wel eens twijfels over de vorm.
2. Waarop baseer ik mijn antwoord? Vrijmetselarij heeft verschillende functies voor verschillende zoekers. Voor de een is het een weg naar het Licht, althans een verbondenheid met iets hogers. Voor een ander is het een idee, gedachtegoed, en zijn de vormen bijzaak. Sommigen zien het als een levensschool, een methode, of een kunst, een koninklijke kunst nog wel. Gevoeligen voor rituelen vinden dáár hun beleving in. Weer anderen zien het vóór alles als een plek om met gelijkgestemden respectvol van gedachten te wisselen. En een aantal komt als pure consumenten. En toch, negen van de tien toetreders blijven hun leven lang lid. Kennelijk zijn juist die verscheidenheid en ons gezamenlijk zoeken sterke punten. Onze broederschap is naar mijn mening niet doel, maar gevolg.
Bibliografie:
• In stukken en brokken, godsdienst en levensbeschouwing in een postmoderne tijd, onder redactie van H.M. Kuitert, tien auteurs, Nederlands Gesprek Centrum/ten Have, ISBN 90 259 4639 9
• Mens, mythe en metafoor, door Joseph Campbell, Uitgeverij Contact, ISBN 90 254 6902 7
• Omwenteling, een wereldomvattende verandering in het denken, door Willis Harman, Lemniscaat, ISBN 90 6069 748 0
• Renaissance van de esoterie, door Jörg Wichmann, Aura, ISBN 90 274 2851Reactie:
Hallo Rudolph,
Ik heb met veel belangstelling het artikel gelezen over “Postmoderne spiritualiteit” en daarbij viel mij iets vreemds op. En wel in de passage: “Esoterie en vrijmetselarij” Daarin stelt Romeijn dat de esoterie begon met de Griekse mysteriën. Echter dat ligt eraan hoe je esoterie opvat. Als hij bedoelt als woord, heeft hij gelijk, esoterie is afkomstig uit het Grieks. Maar als hij doelt op het begrip, dan ligt de zaak toch iets anders. Esoterie betekent geheime leer voor ingewijden en dit is al terug te voeren op de Egyptenaren. De latere Griekse Eleusische mysteriën bijvoorbeeld waren ook gebaseerd op de Egyptische riten. In Egypte bestond ook de school van de Witte therapeuten. In de theosofie en antroposofie zijn ook elementen uit Egypte terug te vinden.
Ik neem aan dat dit jou als v.m. wel bekend voorkomt, aangezien bij de v.m. ook gesproken wordt over Isis en Osiris en de v.m. ook gebaseerd is op inwijdingen. Maar voor buitenstaanders, die dit artikel lezen, kan het enigszins vreemd overkomen, want ook in de spirituele – niet godsdienstige- wereld, de zgn.’paranormale wereld’ speelt Egypte een hele belangrijke rol.
Wist je trouwens dat het gebed dat Jezus ons leerde, het “Onze Vader” al prijkte op de muren in het graf van Tutanchamun?
In ieder geval wilde ik je dat even onder de aandacht brengen.
Met hartelijke groet,
Annabel
Dag Annabel,
Dank voor je reactie. Zinvolle aanvulling. in het verhaal is gekozen om de oorsprong te leggen bij het ontstaan van het woord "esoterie"., maar het doorgeven van "geheime kennis" via inwijdingen is idd van eerdere datum. Doet evenwel niets af aan de rode draad van het verhaal van Piet Romeijn.
zie voor het begrip Esoterie hier.
Met hartelijke groet,
Rudolph Kroon
15 juni 2011
vrijdag 3 juni 2011
Niemand verandert in Essentie. De Kubiek in de Ruwe Steen.
Auteur:
Hans Middendorp, Loge Het SchietloodIk wil werken aan mijzelf om een beter mens te worden, en toch ontdek ik steeds weer dat mijn ruwe steen in mijn diepste essentie onveranderd blijft. Het werken aan mijzelf is een onafgebroken, eindeloze arbeid. Soms lukt het om een ruw kantje aan de buitenkant weg te chippen, maar dan blijken er nog zo heel veel ruwe kantjes over! Als eeuwige Leerling blijf ik vaak dezelfde soort fouten maken. Ik heb de instrumenten telkens opnieuw nodig. Voor mij is deze arbeid aan jezelf = de levensreis die wij allen maken, totdat wij de aardse werktuigen moeten neerleggen.
Ik heb als lijfspreuk: ‘Nemo Numquam Essentiae Mutatur’ – vrij vertaald met: ‘Niemand Verandert Ooit van Essentie’. Als ik zeg “Niemand Verandert Ooit van Essentie”, dan doel ik op iemands kern, op het geheel van gedragspatronen van elk individu. Wij herkennen elkaar ook aan deze gedragspatronen. Wij kunnen bijvoorbeeld prima inschatten hoe een familielid of vriend zal reageren in een bepaalde situatie, wij kennen zijn of haar patronen. Maar de Essentie van mijn Zelf verandert in mijn ogen niet wezenlijk. Het Zelf, de Essentie, schijnt mij net zo onveranderlijk als de kern van mijn eigen Ruwe Steen. Als mens en als VrijMetselaar blijf ik wel mijn best doen door steeds te werken aan mijn Ruwe Steen! Ik wil dat nog verduidelijken: Ik zeg niet “er zijn nooit veranderingen, er verandert nooit iets”. Die veranderingen zijn er wel. Je wordt gelukkig wijzer en milder met de jaren. Voor een belangrijk deel is dat een gevolg van biologische processen, zoals veranderende hormoonspiegels en voortschrijdend lichamelijk ongemak. In VrijMetselaarsterminologie: ik streef er naar om mijn Ruwe Steen beter te laten passen tussen de ander Bouwstenen van de Tempel van Salomo. Het ‘Ken U Zelve' daagt mij uit om mijn eigen Zelf, onze Essentie, onder ogen te zien; met z’n goede en minder goede kanten, met al zijn ruwe uitsteeksels. Je hebt maar één Zelf, en je hebt er maar mee te dealen. Ik leer door de VrijMetselarij gaandeweg om mijn valkuilen beter te omzeilen, en de symboliek van de werktuigen helpt mij daarbij om mij te richten op een rechte verhouding met de wereld.
Het is mijn overtuiging dat wij allen altijd al VrijMetselaar waren, en dat we dat middels de Koninklijke Kunst voor onszelf moeten ontdekken; en dat ieder van ons zich uit zijn eigen Ruwe Steen moet ontworstelen om in het licht van de Zuivere Kubiek te komen. Mijn Essentie zal wellicht niet veel veranderen, maar mijn Bouwsteen past steeds beter tussen de andere Bouwstenen.
Ik ben op mijn wereldse en maçonieke reizen overal geweest. De instrumenten hebben mij geholpen om de contouren van de VrijMetselaar in mijzelf in beeld te krijgen, maar het valt niet mee om mijzelf te bevrijden uit de Ruwe Steen, waarin ik gevangen zit. Ik ken mijn struikelblokken, ik zie ze steeds duidelijker. Ik ken nu ook mijn instrumenten, ik weet dat ik ze verstandig moet gebruiken, in de tijd die mij nog rest op mijn levensreis.
zondag 29 mei 2011
Een beschouwing van ‘Ken Uzelve’ door Piet Romeijn
Vrijmetselarij Den Haag
auteur: Piet Romeijn, april 2004
Ken Uzelve is een gebod. Dat was het al bij de oude Grieken en dat is het nog steeds in de vrijmetselarij. Als je — zoals ik — nieuwsgierig bent, dan wil je wat begrijpen van het waarom en het hoe van dat gebod. Dit bouwstuk is een poging daartoe.
![]() |
| Piet Romeijn |
Waarom is het een gebod? Ik meen te weten dat het te maken heeft met je leven en handelen,en naar mijn smaak geldt dat nog sterker als je vindt dat de inspiratie voor goed leven uit jezelf moet komen, zoals vele vrijmetselaren vinden. Dan heb je levenswijsheid nodig, en zelfkennis is daar een ingrediënt van. Socrates legde in zijn gesprekken al verband tussen kennis en deugd. En het is ook de mening van Peter Richardus, een broeder die een interessant boekje over Vrijmetselarij heeft geschreven. (ligt ter inzage, p57)
Tot zover het waarom. Nu hoe je tot zelfkennis komt. Naar mijn mening in de eerste plaats door je omgang met andere mensen, plus zelfreflectie, introspectie, intuïtie e.d. En ik vind dat ook de filosofie daarbij behulpzaam kan zijn.
Ik heb veel geput uit een boek van Jos Kessels: Geluk en wijsheid voor beginners. Kessels doceert filosofie aan de Universiteit van Utrecht. Ik was prettig getroffen door zijn boek. Hij schrijft een beetje zoals Socrates zijn gesprekken voerde: dóórvragen. Waarom doen mensen wat ze doen? Omdat ze dit of dat willen. Waarom willen ze dat? Omdat ze het een goed ding vinden. Waarom vinden ze het een goed ding? Enzovoort.
Ik geef een voorbeeld: je vraagt aan een workaholic ‘Waarom werk je zo hard?’ Antwoord: Ik wil veel geld verdienen. ‘Waarom wil je dat?’ Antwoord: Ik wil een vermogen opbouwen voor als het mij ooit eens slecht gaat. ‘Waarom denk je dat het je slecht zal gaan?’ Antwoord: Ik heb existentievrees overgehouden uit de crisistijd. Enzovoort, enzovoort.
De meeste mensen beamen dat ze ‘goed’ willen leven, en dan bedoelen ze ethisch goed. Vraag je dan hoe je dat bereikt, dan vinden sommigen dat het je gewoon overkomt als het je meezit, maar anderen vinden daarentegen dat het iets is waaraan je moet werken. Dat laatste doen vrijmetselaren in hun loge, ieder op z’n eigen manier. In de krant zie ik regelmatig annonces van loges waarin ze het hebben over ‘werken aan jezelf’
Socratische gesprekken kunnen verschillende wendingen nemen, maar vroeg of laat kom je terecht bij normen en waarden. Normen zijn min of meer concrete geboden, waarden zijn meer abstracte idealen, die aangeven wat mensen van belang vinden en willen nastreven. Voorbeeld: de norm ‘je moet altijd waarheid spreken’ is een uitwerking van de waarde ‘eerlijkheid’, maar die kan op zijn beurt best afgeleid zijn van de waarde ‘rechtvaardigheid’. Maar vroeg of laat kom je altijd bij intrinsieke waarden terecht. Die ontlenen hun waarde niet meer aan iets anders, maar puur aan zichzelf. Denk aan levensdoelen als geluk, rechtvaardigheid, kennis, schoonheid, liefde, e.d. Zulke waarden zijn een soort heipalen onder je levenshouding. Ze verschillen per persoon. Vele discussies in onze loges illustreren dat. Ik heb ook gemerkt dat ze kunnen verschuiven door gebeurtenissen in je leven. En ze veranderen ook als je ouder wordt.
Ik heb ervaren dat ik bij dóórdenken of dóórpraten over mijn handel en wandel meestal wel een of andere intrinsieke waarde weet te noemen. Mooie woorden als liefde, rechtvaardigheid of zo vallen gemakkelijk, maar ik krijg lang niet altijd meteen helder wat dat moois precies inhoudt. Ik kan b.v. rechtvaardig vinden wat een ander onrechtvaardig vindt. En dan ben je gediend met een redelijke portie zelfkennis. Mijn stelling is dat het nuttig is bij het toetsen van je zelfkennis of bij het beoordelen van je eigen gedrag, als je een beetje weet welke waarden in het geding zijn, en ook als je iets weet van wat grote denkers over zulke waarden gezegd hebben. Het helpt je eigen keuze en plaatsbepaling.
Het is een verdienste van Kessels dat hij voor zoekers denkstof aanreikt doordat hij bij elk thema filosofen van stal haalt die zinnige dingen gezegd hebben. En het mooiste is dat hij dat doet zonder filosofisch jargon. Natuurlijk spreken filosofen elkaar vaak tegen, want éénduidige antwoorden op levensvragen bestaan niet. Ik presenteer hun uitspraken als niet meer dan een keuzemenu voor Uw zelfkennis. Ik deel een lijstje uit met namen en jaartallen van filosofen. De namen mag U meteen vergeten, maar het is misschien leuk om aan de jaartallen te zien dat het denken over deze materie al vér voor onze jaartelling begonnen is.
Ik begin met de intrinsieke waarde ‘geluk’. En dan geluk als gevoel, niet geluk in loterij of kansspel b.v. Bijna iedereen zegt geluk na te streven. Je kunt meestal wel zeggen ‘dit of dat betekent voor mij geluk’, maar het omgekeerde, beschrijf nou eens wat geluk is, dat valt niet mee. Voor velen is daarbij de eerste vraag: ‘moet je naar je gevoel of naar je verstand luisteren?’ In de eeuw van de Verlichting werd alle heil verwacht van de Rede, maar Rousseau stelde in diezelfde tijd dat onze gegroeide kennis het geluk van de mensen alleen maar geschaad heeft. Volgens hem kon je alleen maar geluk vinden door te leven in overeenstemming met de natuur, dus ook je eigen menselijke natuur. De beste wegwijzer daarbij was je gevoel, niet je verstand.
Moet je dan aan elk opkomend gevoel maar gevolg geven? Nee, zei Epicurus. Die zocht naar rust en geluk in een tijd dat het in Athene slecht ging. Volgens hem ligt het geluk in gezondheid van het lichaam en in de innerlijke rust, ataraxia. Ataraxia is zoiets als wat ik voor mijzelf gemoedsrust noem. Maar, aldus Epictetus, om die te bereiken moet het gevoel geleid worden door het verstand.
Die twee filosofen beweren verschillende dingen, en toch beroepen ze zich allebei op wat zij de ‘ware aard’ van de mens noemen. Hoe kan dat nou? Wat is dan die ware aard? Daar heeft Spinoza wijze dingen over gezegd. Een vereiste voor geluk, zei die, is dat je beseft dat er een verschil is tussen hoe je in je dagelijkse leven feitelijk handelt, en wat eigenlijk je wáre aard is. Je doet soms anders dan je bent, want je bent bewust of onbewust speelbal van allerlei invloeden in jezelf en buiten jezelf, en die rijmen lang niet altijd met je diepste wezen. Net zoals een ruiter zijn paard, moet je die onbestendige natuur van jezelf leren kennen en beheersen. En dat kun je alleen maar met je verstand. Zonder verstand geen zelfkennis, en zonder zelfkennis geen geluk, aldus Spinoza.
Twee eeuwen later hakte Nietzsche deze zienswijze weer aan mootjes. Volgens hem zijn onze instincten veel intelligenter dan ons verstand. Die tweedeling van Spinoza vond hij onzin. Je leven is er niet om verstandelijk uit te pluizen, maar om het te beléven. Dus: wég verstand, gevoel moet het doen. Typisch filosoferen met de hamer. Wonderlijk genoeg begint Nietzsche sinds kort een klein beetje gelijk te krijgen op dit punt.
Volgens Epictetus, zegsman van de Romeinse Stoa, leef je gelukkig als je leeft in overeenstemming met je ware zelf. Hoe weet je wat dat is? Door zelfkennis. Die stelt je in staat om uit te maken hoe ver je ‘zelf’ strekt. Het reikt namelijk niet verder dan in je macht ligt. De rest hoort niet bij je zelf. Dat zijn de dingen die er niet toe doen, de onverschillige dingen.
De stoïcijnen noemen het ‘ik’ hegemonikon, letterlijk datgene wat de macht uitoefent, soms ook de innerlijke stem, of het redelijk verstand. Ze beschouwen de natuurlijke orde als een uiting van een centrale, sturende kracht, die ze meestal Logos noemen, soms ook God of het Noodlot. Wat vele vrijmetselaars voortstuwende wereldorde noemen.
Je hebt macht over je wil en je emoties, maar je hebt geen macht over ziekte of gezondheid, of over je aanzien bij mensen. Die horen dus bij de onverschillige dingen. Leidt dat niet tot fatalisme of apathie? Neen, want bij die onverschillige dingen hebben ze wel degelijk voorkeuren en afkeren, en daar handelen ze naar. Dan kun je natuurlijk vragen: “wat is dan nog het verschil tussen stoïcijnen en niet-stoïcijnen?”
Dat verschil komt tot uiting in situaties waar ons geluk afhankelijk is van zaken buiten onze macht. We proberen die dan te regelen, en zijn dan boos of verdrietig als het niet lukt. We weten niet beter, maar stoïcijnen weten wél beter. Volgens hen getuigt dat van onvoldoende zelfkennis en fout inzicht in de natuurlijke orde. Hun idee van goed leven houdt in dat je niet uit het lood raakt door wat dan ook. Daarin slagen, dat is geluk. Je krijgt het niet cadeau, het is zwaar werk, en lang niet altijd leuk werk. Het is een levenshouding waar moed voor nodig is. In onze symboliek moet je dan aan schietlood en waterpas denken, en aan ons gezegde ‘Op U komt het aan’.
Augustinus had een heel andere visie op zelfkennis. Volgens hem is het hoogmoed om te stellen dat de mens tot volledige zelfkennis in staat is. Het menselijk verstand is daarvoor niet toereikend. Die Logos van de stoïcijnen is even onkenbaar als die ingebouwde gids van Rousseau. De ware zelfkennis is je ‘ik’ tot zwijgen brengen om je te kunnen overgeven aan een hogere en meer waarachtige stem, God. Dát is geluk. Het is duidelijk dat de filosofie in de middeleeuwen ondergeschikt was aan de godsdienst.
Over de vraag wat geluk is, stonden Aristoteles en Kierkegaard even diametraal tegenover elkaar als de Stoa en Augustinus. Volgens Aristoteles is geluk geen toestand of iets dat je beleeft, maar een activiteit. Je moest daarvoor een aantal deugden in praktijk brengen, met als hoofdregel een juiste keuze maken tussen te veel en te weinig. Geluk ontstaat door fronèsis, de kunst om in elke situatie de gepaste keuze te maken uit alternatieven.
Kierkegaard zag niks in zo’n door spelregels beheerste bepaling van geluk. “Niet objectiviteit, maar subjectiviteit is waarheid” zegt hij ergens. Het gaat niet om het geluk, maar om mijn geluk, jouw geluk, zijn geluk, steeds weer ander geluk. Bovendien speelt in dat geluk van Aristoteles het gevoel niet mee, volgens Kierkegaard het hoogste in het menselijk bestaan.
Nog zo’n dilemma: Freud en Sartre. Freud zag de menselijke geest van nature in drieën gedeeld: het ego, het superego en het Id, de onbewuste instincten. En die instincten maken de mens van binnen meer dan eens — ongewild — tot een huishouding van Jan Steen.
Sartre daarentegen zag het individu als de letterlijke vertaling van dat woord: een ongedeelde eenheid. Het ‘ik’ krijgt niks van buiten toegediend, maar kiest alles zelf, moet dat zelfs doen. Het zou meestal net zo goed iets anders kunnen kiezen. Sartre vindt het niet eerlijk om je te verschuilen achter emoties, instincten of autoriteiten.
Nog een tegenstelling over geluk is die tussen Marcuse en Popper. Marcuse was de filosoof van het studentenverzet in de zestiger jaren, dat zo treffend werd gekenmerkt door o.a. de graffiti op Amsterdamse muren: “Wij eisen geluk”. Die zie je niet meer, we vinden nu dat we geen tijd hebben voor die onzin. Marcuse beschreef wat hij de ‘eendimensionale mens’ noemde. Nooit eerder kregen westerse mensen zoveel individuele vrijheid om te leven zoals zij zelf willen, maar ze hebben minder vrijheid dan voorheen, helaas zelfs zonder dat ze zich daarvan bewust zijn. Marcuse bepleitte daarom radicale koerswijzigingen om een gelukkiger samenleving te maken.
Popper daarentegen stelde dat radicale veranderingen altijd ongeluk hebben gebracht, in de vorm van intolerantie, dogmatisme en aantasting van democratie. Hij bepleitte bestrijden van ongeluk, en ‘piecemeal social engineering’, veranderen in kleine stapjes. Want die kun je terugdraaien als iets verkeerd uitpakt. En kleine stapjes hebben meer kans van slagen dan grote.
Dat was het een en ander over de intrinsieke waarde ‘geluk’. Ik neem er nog één uit het boek van Kessels, rechtvaardigheid. Hij noemt dan o.a. Machiavelli (16e eeuw). Die stelt dat je voor een stabiele samenleving niet veel bereikt met alleen maar morele praatjes. Mensen zijn nu eenmaal anders dan we graag zouden willen. Moreel goed gedrag kan ongewenste uitkomsten opleveren, maar slecht gedrag kan ook wél gewenste uitkomsten leveren. Goede doelen als een stabiele samenleving of een bloeiende onderneming kunnen immoreel gedrag zelfs nodig maken. Zijn visie omvatte dus heel wat méér dan de simplificatie dat het doel alle middelen heiligt.
Berlin zegt het nog duidelijker, in de taal van de 20e eeuw: hou maar op met zoeken naar één allesomvattende moraal. Een algemeen belang nastreven is een goed ding. Eigenbelang nastreven is ook een goed ding. Maar soms sluit het ene het andere uit. Laten we dus eindelijk eens aanvaarden dat je niet alle goede dingen in het leven tegelijk kunt hebben. Je moet vaak kiezen tussen twee onverenigbare moralen, afhankelijk van wat je nastreeft. Dat is wat Machiavelli ons liet zien. Harry Kunneman heeft daar een interessant boek over geschreven. (Postmoderne moraliteit’)
Rechtvaardigheid speelt o.a. een rol bij het besturen van een staat, een organisatie of een bedrijf. Zonder leiders gaat het niet, dat leert de praktijk. Velen vinden een tweedeling tussen leiders en werknemers niet rechtvaardig. Moeten de geleiden meebeslissen of niet? Kessels neemt als voorbeeld de staat.
Plato gaf een nauwkeurige beschrijving van een ideaal staatsbestuur. Een elite van filosofen moest de wetten maken en de burgers mochten zich daarmee niet bemoeien, alleen gehoorzamen. Ik herinner mij een schrijver die zei dat hij voor geen prijs in zo’n staat zou willen leven. Ik ook niet, maar ik heb toch geen antwoord klaar op de vraag van de hedendaagse filosoof Bertrand Russell: “Kunnen we een samenleving rechtvaardig noemen die in haar opzet de beste dingen voor de weinigen reserveert, en van de meerderheid verlangt dat ze met het mindere tevreden is?” Plato, Aristoteles en Nietzsche vinden van wel, de stoïcijnen, de christenen en de democraten zeggen van niet.
Pas in de 17e eeuw kwamen filosofen als Hugo de Groot, Montesquieu en Voltaire met kritiek op toen bestaande staatsstructuren. Wetten waren pas rechtvaardig, vonden zij, als ze konden worden afgeleid uit onaantastbare uitgangspunten zonder aanzien des persoons, zaken als recht op eigendom, op vrijheid, op gelijkheid voor de wet, en ook op deelname aan het bestuur. Hun ideeën hadden groot gewicht in de Franse Revolutie, en ze hebben dat nog steeds. En ze bevatten nog steeds onoplosbare problemen.
Is democratie de oplossing? Nee, want Ortega y Gasset verkondigde b.v. in de 20e eeuw dat mooie ideeën weliswaar vooruitgang hebben gebracht, maar ook de massamens. En die bedreigt nu de cultuur. Hij profiteert van vooruitgang, waar hij zelf niets aan gedaan heeft. Hij acht zich gerechtigd tot een oordeel over alles en nog wat, maar klakkeloos, zonder begrip of kennis. En hij kan of wil niet luisteren naar anderen die die kennis wél hebben. Hij gelooft alleen maar rechten te hebben, geen verplichtingen. Dat is niet rechtvaardig, vindt Ortega. Alleen mensen die bereid en in staat zijn verplichtingen op zich te nemen, zijn bevoegd tot leiding geven en moeten dat ook doen. Alweer een toetssteen voor het ‘Ken Uzelve’.
In de Middeleeuwen werd geregeerd bij de gratie Gods. Traditioneel kon alleen de adel regeren, en de kerk keurde verzet daartegen af. Dát heette rechtvaardigheid. Mensen waren nu eenmaal niet allemaal gelijk, zei men. In de 17e eeuw gingen die ideeën overboord. Hobbes en Locke beweerden dat alle mensen wél gelijk zijn en dat iedereen in beginsel vrij is om zijn leven in te richten zoals hij wil. Egoïsme was een natuurlijk menselijk gegeven, en hoefde lang niet altijd slecht te zijn. Maar, helemaal zonder staat of wet zou er toch wel een onveilige toestand ontstaan. Er moest dus een maatschappelijk verdrag komen, dat alle burgers zou beschermen tegen inbreuk op hun veiligheid en bezit. Dan zou de combinatie van welbegrepen eigenbelang en egoïsme van de mensen een vreedzame samenleving opleveren.
In de 18e eeuw verwierp Rousseau dat weer. Zo’n sociaal contract zou misschien voordelen hebben, maar ook nadelen. De oermens is namelijk van nature vreedzaam, oprecht in zijn gevoelens, en ongecompliceerd in zijn handelen (“de edele wilde”). Door de zgn. beschaving is de mens echter steeds meer van zichzelf vervreemd geraakt. Dus moesten niet alleen vrijheid en gelijkheid de samenleving dragen, maar ook broederschap. Ziedaar de drie slagwoorden van de Franse Revolutie.
Tot zo ver het thema rechtvaardigheid. Kessels behandelt er nog een paar, o.a. de waarden kennis en schoonheid. Die laat ik weg vanwege de tijd.
U hebt nu een aantal weldoordachte opvattingen gehoord, die elkaar toch tegenspreken. Hoe kan dat nou? Wie heeft gelijk? (probleem v d rabbi) Lyotard, een van de eerste postmoderne filosofen, stelt dat vragen naar gelijk zinloos is. Gelijk hebben over dit soort zaken is niet alleen onbewijsbaar, maar zelfs onmogelijk, stelt hij. Want gelijk hebben is altijd gebaseerd op een of meer fundamentele waarden of regels. In de filosofie zitten die verpakt in de geestelijke stromingen die Lyotard de ‘grote verhalen’ noemt. En zijn stelling is dat we daar in de loop van eeuwen te veel verschillende van hebben gehoord om ze allemaal te kunnen geloven.
Het verhaal van de vooruitgang door de wetenschap, de heilsboodschap van het christendom, het geloof in de Rede als zaligmakend tijdens de Verlichting, de bevrijding van mensen door het Marxisme, of juist door het kapitalisme, de rationalisatie van de samenleving, enz., waarom zouden we juist die als waardevol aanhangen? Zeker niet omdat ze zich als een groot goed hebben ontpopt. De wetenschap heeft naast veel goeds ook mede de milieuvervuiling veroorzaakt. De kerken zijn al jarenlang leeg. Redelijk denken heeft twee wereldoorlogen niet kunnen voorkomen. Het marxisme is onttakeld, zonder het verwachte heil. In het kapitalisme vieren vervlakking en vervreemding hoogtij.
Dat bevestigt mijn visie dat de filosofie per definitie niet verder kan reiken dan verheldering van de dilemma’s waar we voor komen te staan als we goed willen leven. Geen enkele filosoof levert mij kant-en-klare zelfkennis, maar filosofie als totaal levert mij wel richtingwijzers. Wie dieper wil graven, heeft een geschikt middel aan de psychologie, vooral omdat die sinds kort ook zinnige dingen weet te zeggen over de verbanden tussen denken en voelen, tussen hoofd en hart. Maar ook psychologie levert geen kant-en-klare zelfkennis.
Ik kan U in ieder geval het boek van Kessels warm aanbevelen, al was het alleen maar om het laatste hoofdstuk. Hij beschrijft een socratisch gesprek, dat o.a. gaat over een variant van de liefde die ik nog niet kende. Namelijk de socratische ‘eros’, de liefde die niet alleen liefde voor waarheid is, maar ook passie voor het gezamenlijk zoeken naar waarheid, en genegenheid voor je reisgenoten op die zoektocht. Die socratische eros zie ik als een kenmerk van maçonnieke arbeid als ideaaltype.
Het zou te ver voeren om het verhaal van Kessel uit te leggen. Ik noem alleen even de aardige analogie die hij bij zijn uitleg gebruikt, en die aardig zou passen in maçonnieke symboliek. Zie een mensenleven als een treinreis. De trein stopt onverwacht middenin een weiland. Kijk dan naar de verschillende manieren van reizen. Sommige mensen worden onrustig, klagen over hun aansluiting, winden zich op over de spoorwegen, raken van slag af. Hun doel ligt ergens voorbij dat weiland, de reis is niet meer dan middel om dat doel te bereiken. Het doel is alles.
Daarnaast heb je de mensen voor wie het reizen zélf het doel is. Duurt het ze te lang, dan stappen ze uit en gaan ze verder met een ander vervoermiddel of desnoods te voet. Of ze blijven rustig waar ze zijn. Ze zitten niet aan een uitgestippelde route of een gefixeerd doel vast. Mijn vrijmetselaarschap valt min of meer in deze categorie.
Er is nog een derde categorie. Die wordt gesymboliseerd door twee geliefden in de trein, die zo van elkaar vervuld zijn, dat ieders bestemming is waar de ander is. Ze reizen, maar eigenlijk zijn ze er al. Ze willen alleen maar zijn waar ze al zijn. En daar zijn ze gelukkig. Alle drie typen werden herkenbaar in dat socratische gesprek van Kessels..
U ziet dat het opbouwen van zelfkennis geen sinecure is. Er is een baaierd van alternatieven als je nadenkt over de praktijk van je leven. Zelfs als je bewust de spiritualiteit even buiten beschouwing laat, want die is geen doel, maar een middel. Die ataraxia die ik noemde, die gemoedsrust, vind ik moeilijk te bereiken. Want je blijft met vragen zitten, hoe je ook je best doet. Voor mij is de conclusie geworden dat leven weliswaar een moeilijke klus is, maar interessant en de moeite waard. Ik wens U wijsheid en kracht bij Uw keuzen.
Jos Kessels: Geluk en wijsheid voor beginners. uitgeverij Boom, 1999, 196 blz.
vrijdag 27 mei 2011
OPENBARE LEZING OVER HET VERLOREN SYMBOOL VAN DAN BROWN
vrijmetselarij Den Haag
Een verslag, door Marion Altena, romanschrijfster en fotografe.
![]() |
| Marion Altena |
De lijntjes tussen informatie en actie en tussen mensen onderling zijn de laatste paar jaar door de opkomst van de social media steeds korter geworden. Contact leggen met een jou nog niet bekend iemand hoeft bijvoorbeeld tegenwoordig niet veel meer om het lijf te hebben dan het typen van één zinnetje, gevolgd door een muisklik om de boodschap te verzenden. Zo gebeurde het een tijdje geleden dat ik op Twitter Rudolph Kroon (Voorzittend Meester van Loge L’Union Frédéric in Den Haag) tegenkwam en wij besloten elkaar te gaan ‘volgen’. We kwamen in gesprek, via de mail, hij kreeg mijn kunstboek Zielstocht om eens in te kijken en ik las een aantal van zijn blogs over de Vrijmetselarij.
Zijn uitnodiging voor de openbare lezing in het gebouw van de Haagse Loges over Het Verloren Symbool van Dan Brown op 21 mei jl. ging dan ook niet aan mijn oog voorbij en samen met een vriendin besloot ik er naartoe te gaan. Een mooie gelegenheid om te luisteren en te delen. Leuk was natuurlijk ook dat Rudolph en ik elkaar daar voor het eerst ‘in het echt’ de hand zouden kunnen schudden.
De ontvangst binnen, met koffie en thee in het café ‘De Zevende Graad’ kwam erg hartelijk op me over en we raakten onmiddellijk in gesprek met verschillende mensen. De aanwezigen bestonden ongeveer voor de helft uit vrijmetselaars en voor de andere helft uit genodigden van buiten. De sfeer die er heerste kan ik denk ik het best omschrijven als ‘vol vriendelijke nieuwsgierigheid’. Ik merkte de afwachtende opwinding van de niet-Vrijmetselaars, die benieuwd waren wat ze te zien en te horen zouden krijgen van de leden van de Loges en of die nieuwe informatie zou aansluiten bij het beeld dat ze tot nu toe hadden van de Vrijmetselarij. En bij de Vrijmetselaars zelf proefde ik een nieuwsgierigheid die eigenlijk grotendeels over hetzelfde ging: “Wat vinden ze van ons en wat zal hun reactie zijn op de nieuwe dingen die ze vanmiddag over ons gaan leren?”
![]() |
| Paul Marselje |
Paul Marselje, zelf ook Vrijmetselaar, was degene die de lezing over de roman van Dan Brown zou geven. We zaten met ongeveer 25 mensen in een zaal waar normaal gesproken wellicht vergaderingen worden gehouden, maar vooral ook de zgn. Comparities. Dat zijn bijeenkomsten waar men met elkaar filosofeert en spreekt over zaken die van belang zijn voor een Vrijmetselaar, zaken die hem/haar interesseren. Daar gaat men samen de diepte in, op zoek naar datgene dat een mens kan verrijken, daar denkt men na over de zoektocht naar het Licht. Bij een Comparitie horen een aantal regels en handelingen en om ons, genodigden, iets daarvan te laten zien werd een deel van die gang van zaken gebruikt tijdens de lezing en het daarop volgende groepsgesprek. Symbolen als het Zuiden, Oosten, Noorden en Westen werden gebruikt en bijvoorbeeld het opstaan en de hand op het hart leggen tijdens het spreken (als teken van trouw). Een kijkje in een geheel nieuwe wereld, voor een aantal van ons…
Aan het eind van de lezing en het groepsgesprek was er voor belangstellenden gelegenheid om een kijkje te nemen in de tempelruimte van de Blauwe Loges (de eerste drie graden) en ten slotte ontmoetten we elkaar weer in café De Zevende Graad, om de middag met een hapje en een drankje af te sluiten.
Paul Marselje hield tijdens zijn lezing een paar specifieke dingen tegen het licht. Wat Dan Brown in Het Verloren Symbool over de Vrijmetselarij heeft geschreven bijvoorbeeld. Van daaruit was de overstap natuurlijk makkelijk gemaakt naar wat de media en de maatschappij in het algemeen over de Loges denken. Veel van de vragen tijdens het groepsgesprek gingen daar dan ook over. Wat mij echter vooral is bijgebleven van deze ontmoeting is dat ik me ben gaan realiseren dat er bij de Vrijmetselarij twee manieren zijn waarop men symbolen benadert. Je hebt de vaststaande symbolen die bij de Ritualen (tijdens de bijeenkomsten in de tempel) worden gebruikt. En dan zijn er de symbolen die wellicht in gedachten opkomen tijdens het praten over hoe je een beter mens kunt worden, tijdens Comparities of gewoon in café De Zevende Graad. Die laatste soort, ik noem ze maar even ‘de nieuwe symbolen’, kunnen denk ik een mooie aanleiding vormen voor gesprekken tussen buitenstaanders en Vrijmetselaars. Mits we erkennen dat die symbolen niet het doel op zich zijn in dit leven, maar vooral een middel waar we dankbaar gebruik van mogen maken.
dinsdag 24 mei 2011
Doet U in het Westen kennen als vrijmetselaar
Auteur: Rudolph Kroon, 12 mei 2011. Loge L'Union Frédéric O:. Den Haag
Als de Tempelbijeenkomst of de comparitiebijeenkomst, gesloten wordt door de Voorzittend Meester dan zegt hij altijd:" Keert terug naar het Westen en doet u daar kennen als vrijmetselaar". Maar wat betekent dat? En als wij de Tempel uitlopen, staat boven de Tempelpoort: "Ken Uzelve".
Met het "Westen" wordt de maatschappij bedoeld. Dit in tegenstelling tot het Oosten. Het Oosten is de geestelijke wereld, de spirituele wereld. De wijsheid komt uit het Oosten, zegt men wel.Als vrijmetselaren de Tempel ingaan worden de deuren gesloten en hebben wij ons voor bezinning afgesloten van de buitenwacht, hebben wij ons even teruggetrokken uit de maatschappij. Maar natuurlijk keren wij weer terug naar het Westen.
Aan wie is die opdracht gericht. Aan de individuele vrijmetselaar en/of aan de organisatie van vrijmetselaren.
Om met het laatste te beginnen, de vrijmetselarij zoals wij die nu kennen, is als organisatie in 1717 ontstaan. In een periode waarin we nog geen sociale vangnetten hadden. Ouden van dagen, zieken, weduwen, gehandicapten, werklozen etc waren afhankelijk van liefdadigheid van familie, vrienden, de kerk en allerlei particuliere liefdadigheidsinstellingen.
Omdat de vrijmetselarij streeft naar een betere, rechtvaardiger wereld en naar een wereldwijde broederschap van alle mensen ongeachte sekse, ras en geloof, was dan ook niet zo verwonderlijk dat de vrijmetselarij al vrij snel na haar ontstaan als organisatie allerlei liefdadigheidsinstellingen in het leven riep om zo haar bijdrage in het Westen te leveren ter lediging van maatschappelijke noden.
![]() |
| Willem Drees Sr |
Maar inmiddels is de maatschappij veranderd en heeft de Staat de rol van vele liefdadigheidsinstellingen overgenomen. Niet dat er helemaal geen kommer en kwel meer in de maatschappij aanwezig is (de snelle groei van het aantal voedselbanken moge daarvan getuigen), maar we leven gelukkig niet meer in de middeleeuwen.
De rol van de oorspronkelijk liefdadigheidsinstellingen van de vrijmetselarij is inmiddels uitgespeeld of tanende. Zie voor de aan de Orde van Vrijmetselaren gelieerde stichtingen de Ordesite. Het tijdsgewricht waarin wij leven, kent weer nieuwe problemen. Te denken valt aan de milieuproblematiek of rampen zoals recentelijk de tsunami in Japan. De Orde van Vrijmetselaren, maar ook individuele loges richten zich op die nieuwe goede doelen. Zij doen dat in stilte. Als de orde geld overmaakt naar Japan, zult u daarvan niets in de pers vinden.
Onder vrijmetselaren wordt verschillend gedacht over de vraag of de vrijmetselarij als organisatie eigenlijk wel aan "goede doelen" zou moeten doneren.
Ja,zeggen sommigen. De organisatie moet haar maatschappelijke verantwoordelijkheid immers nemen en bijdragen aan de totstandkoming van die "betere wereld".
Nee, zeggen anderen. Het is niet de vrijmetselarij als organisatie die zich in het Westen moet doen kennen, maar de individuele vrijmetselaar die aan zijn verantwoordelijkheid jegens de maatschappij op eigen wijze en naar eigen inzicht uitvoering dient te geven.
Beide standpunten zijn goed verdedigbaar. Voor beide standpunten heb ik respect,zij het dat ik (voor mijzelf) gekozen heb voor het tweede standpunt. De vrijmetselarij als organisatie dient in mijn visie niet alleen strikt neutraal te staan mbt welke politieke en godsdienstige visie dan ook, zij dient dat ook in maatschappelijk opzicht te zijn. Kiezen voor het ene goede doel betekent immers niet kiezen voor het andere goede doel. Het betekent op z'n minst dat je het ene maatschappelijke doel belangrijker vind dan het andere maatschappelijke doel. En achter zo'n keuze zit dan dus een visie. De vrijmetselarij biedt haar leden een vrijplaats tot persoonlijke ontwikkeling en daar horen geen inhoudelijke standpunten van de Orde bij. Juist de inhoudelijke neutraliteit van de vrijmetselarij is een van haar grote krachten. De vrijmetselarij roept wel - terecht - haar leden op zich in het Westen door "handel en wandel" te doen kennen als vrijmetselaar. Wij mogen immers niet met de rug naar het Westen - naar de maatschappij - staan. Wij willen ons ontwikkelen tot een beter mens dan we nu zijn en bouwen aan een betere wereld. Maar wat dat inhoud, maakt iedere vrijmetselaar, luisterend naar zijn eigen geweten, zelf uit. "Op U komt het aan", zeggen wij. Het is de opdracht die iedere individuele vrijmetselaar vanuit zijn eigen verantwoordelijkheid, zichzelf stelt.
Overigens gaat het 'doen kennen als vrijmetselaar in het Westen" niet niet alleen en zelfs niet voornamelijk om "Goede Doelen" zoals hiervoor bedoeld. Het gaat om het geheel, te beginnen in je gezin, je collega's, je werk, de buren, je ouders etc. In je eigen omgeving probeer je vooral een "goed voorbeeld" te zijn in oa. in termen van tolerantie, verdraagzaamheid, respect, naastenliefde etc. Lukt mij dat altijd? Nee, maar ik doe wel bewust mijn best.
Overigens gaat het 'doen kennen als vrijmetselaar in het Westen" niet niet alleen en zelfs niet voornamelijk om "Goede Doelen" zoals hiervoor bedoeld. Het gaat om het geheel, te beginnen in je gezin, je collega's, je werk, de buren, je ouders etc. In je eigen omgeving probeer je vooral een "goed voorbeeld" te zijn in oa. in termen van tolerantie, verdraagzaamheid, respect, naastenliefde etc. Lukt mij dat altijd? Nee, maar ik doe wel bewust mijn best.
Abonneren op:
Posts (Atom)



